Inktkoelie

Een kunsthistoricus toont zich op LinkedIn verbaasd dat ik daar het woord ‘inktkoelie’ gebruik. Niet dat ze het woord ‘inktkoelie’ kent, maar ze kent het woord ‘koelie’. ‘Ik houd me bezig met inclusief taalgebruik, en deze term kan echt niet meer’, meent ze. Een tweede kunsthistoricus valt haar bij met ‘Au’.

De discussie over slaaf, neger, blanke, dwerg en zigeuner is mij bekend. Het zijn ‘mogelijk gevoelige woorden in de museumwereld’ uit de publicatie Words Matter (2018) van het Tropenmuseum.

Van ‘kaffer’, ‘mongool’ en ‘inboorling’ begrijp ik dat die als neerbuigend kunnen worden ervaren. Maar ‘inktkoelie’?

Een inktkoelie is volgens Het Groot woordenboek van Van Dale (2015) ‘iemand die hard moet zwoegen om van zijn pen te kunnen leven’. Dat is iets anders dan een koelie. Dat is ‘een in de tropen gehuurde, inlandse arbeider, dagloner, sjouwer, m.n. voor fabrieken, plantages, mijnen, enz.’ aldus Van Dale. Het woord wordt volgens Words matter nog steeds gebruikt als een scheldwoord voor mensen van Aziatische afkomst.

Als ‘inktkoelie’ niet meer kan, betekent dit dan dat cultuurbarbaar, dwergstaat, pagekapsel, zigeunerschnitzel of loonslaaf, ook taboe zijn? Moeten we die dan ‘cultuurwilde’, ‘kleinemensenstaat’, ‘bediendekapsel’, ‘Roma-schnitzel’ en ’loonslaafgemaakte’ gaan noemen?

Qua inclusiviteit zijn we dan ten minste politiek correct, om niet te zeggen hypercorrect. Maar van de taalcreativiteit is dit natuurlijk jammer. Voor wie juist meer creativiteit wil, is er creatief tekstschrijven.

Delen met je netwerk?